Een zorgprofessional kan diverse soorten diensten verrichten voor leveranciers. Te denken valt aan het verzorgen van trainingen en lezingen, het geven van advies, het deelnemen aan onderzoek of een adviescollege. Daarbij is het niet relevant of de dienst wordt verleend op individuele basis dan wel door meerdere zorgprofessionals, al dan niet in een samenwerkingsverband. Ook het verrichten van diensten door patiëntvertegenwoordigers en patiënten die tot doel hebben om invloed te hebben op keuzes voor een medisch hulpmiddel, moet aan de artikelen 13 en 14 GMH Code voldoen, omdat zij dan ook als zorgprofessional moeten worden beschouwd (zie ook de toelichting bij artikel 1b). Voor deze groep zorgprofessionals geldt het maximum uurtarief in de categorie ‘Overig’.
Tegen het verrichten van deze diensten en honorering daarvan bestaat geen bezwaar, mits aan de eisen uit dit artikel wordt voldaan. Deze eisen hebben betrekking op de inhoud en legitimatie van de dienst, de vergoeding daarvoor, de wijze van vastlegging en transparantie. Wanneer een zorgprofessional geen vergoeding ontvangt, is het artikel niet van toepassing.
Uitgangspunt is dat de vergoeding voor de diensten in redelijke verhouding staat tot de verrichten diensten. In samenspraak met de stichting CGR (zelfregulering bij geneesmiddelen) en in overleg met VWS en de IGJ zijn maximum uurtarieven vastgesteld die als ‘marktconform’ worden beschouwd. Benadrukt wordt dat sprake is van maximumtarieven. Dit betekent dat partijen met inachtneming van gevraagde ervaring en expertise van de betrokken dienstverlener ook tot een uurtarief kunnen komen dat lager is dan het maximumtarief omdat dat dat in het concrete geval redelijk is. Ook het aantal uren dat wordt vergoed moet redelijk zijn, waarbij onder meer de aard van de werkzaamheden en de kwalificaties en expertise van de dienstverlener een rol zullen spelen.
Per 1 januari 2025 gelden de volgende maximum uurtarieven voor de verschillende categorieën zorgprofessionals, ingedeeld naar (vervolg)opleiding:
Categorie |
Maximale uurtarief |
Hoogleraar |
€ 299 |
Universitair + geneeskundige vervolgopleiding > 3 jaar |
€ 209 |
Universitair + geneeskundige vervolgopleiding ≤ 3 jaar |
€ 150 |
Universitair/master zonder geneeskundige vervolgopleiding |
€ 127 |
HBO/bachelor |
€ 112 |
Overig |
€ 97 |
De genoemde maximumbedragen worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de indexatiecijfers van personele kosten die de overheid vaststelt: de Overheidsbijdrage in de Arbeidsontwikkeling (OVA).
Ter toelichting op de indeling in categorieën:
- Het maximum uurtarief voor de categorie hoogleraar geldt tevens voor de emeritus hoogleraar. Een associate professor valt niet in deze categorie.
- Er zijn twee categorieën universitair met een afgeronde geneeskundige vervolgopleiding, nl. een categorie waarbij de vervolgopleiding 3 jaar of korter is en een categorie waarbij de vervolgopleiding langer is dan 3 jaar. De GMH heeft op haar website een overzicht staan van de diverse geneeskundige vervolgopleidingen en de duur daarvan.
- Onder de categorie universitair/master zonder geneeskundige vervolgopleiding vallen de zorgprofessionals die master titel behaald zonder verdere vervolgspecialisatie. Dit zijn onder meer de apotheker (zonder een in het BIG-register geregistreerde specialisatie van “openbare apotheker”), tandarts, (basis)arts (incl. ANIOS en AIOS), de vijf categorieën verpleegkundig specialisten, physician assistant, klinisch technoloog, klinisch fysicus, medisch bioloog, medisch immunoloog, medisch technoloog, viroloog, etc.
- Onder de categorie HBO/bachelor vallen onder meer de diëtist, fysiotherapeut, verloskundige, ergotherapeut, optometrist met een HBO opleiding.
- Onder de categorie overig vallen onder meer de apothekersassistent (MBO), verpleegkundige met MBO of in service opleiding, opticiens, audicien, drogist, patiëntvertegenwoordiger (patiënt advocate), etc. Uit advies A24.04 volgt dat vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties en influencers voor wat betreft het maximumtarief in de categorie ‘overig’ vallen.
Ter ondersteuning bij de bepaling van de juiste categorie-indeling vindt u via deze link een overzicht met beroepen en met geneeskundige vervolgopleidingen.
Partijen bij een dienstverleningsovereenkomst moeten de gemaakte keuze voor de indeling van de zorgprofessional in een bepaalde categorie te allen tijde goed kunnen onderbouwen, ook in de richting van de IGJ die in het kader van toezicht op naleving van de Beleidsregels gunstbetoon Wmh kan toetsen of sprake is van een redelijke vergoeding conform de systematiek van de Gedragscode. Indien sprake is van een beroep met een beschermde titel resp. van beroepen of specialismes die in het BIG-register of andere officiële registers worden geregistreerd, wordt de inschrijving in een dergelijk register als voldoende bewijs geacht. Indien daarvan geen sprake is, ligt de bewijslast van de redelijkheid van het tarief bij de betrokken partijen bij de dienstverleningsovereenkomst. Partijen doen er goed aan hier de nodige aandacht aan te besteden, zodat zij kunnen onderbouwen dat de betreffende zorgprofessional terecht in de betreffende categorie is ingedeeld.
De maximum uurtarieven zijn van toepassing, ongeacht of de dienstverleningsovereenkomst rechtstreeks met de betrokken beroepsbeoefenaar wordt aangegaan of via een andere contractspartij waarvoor de beroepsbeoefenaar werkzaam is. Bij een samengestelde dienstverleningsovereenkomst, waarbij meerdere beroepsbeoefenaren (en/of niet-beroepsbeoefenaren) zijn betrokken, zal uit de begroting moeten blijken welke uurtarieven voor welke personen in rekening worden gebracht.
Uit advies A21.01 is af te leiden dat van de geldende maximumuurtarieven niet naar boven mag worden afgeweken, ook niet als de zorgprofessional die de diensten verleent een bepaalde bijzondere extra kwalificatie heeft in verband met bijv. specifieke expertise, reputatie of populariteit.
Bij dienstverlening door een multidisciplinair team, bestaande uit diverse zorgprofessionals waarvan achtergrond en expertise verschillen, moet rekening worden gehouden met de afzonderlijke uurtarieven die voor die zorgprofessionals gelden. Het uurtarief dat wordt gehanteerd voor de diensten van het team zal nooit meer mogen zijn dan de optelsom van de maximum uurtarieven die gelden voor de diverse zorgprofessionals. Dit moet uit de dienstverleningsovereenkomst blijken (A20.03). Een vergoeding voor de diensten van een zorgprofessional in de vorm van een percentage van de winst die met een bepaalde activiteit behaald zal worden, is niet toegestaan omdat dit kan leiden tot een vergoeding die hoger is dan in de GMH is toegestaan (A20.05). Als het gaat om diensten waarvan de omvang niet vooraf kan worden vastgesteld ligt het op de weg van de dienstverlenende zorgprofessionals om de aan de diensten bestede tijd te verantwoorden, waarbij aangesloten dient te worden bij de verplichtingen die medisch specialisten op dit moment reeds hebben in het kader van het verlenen van medisch specialistische zorg om alle diagnose en zorgactiviteiten zorgvuldig en correct vast te leggen (‘Gedragsregel Correct Declareren’ van de Federatie Medisch Specialisten) (A20.04).
De maximumtarieven zijn ook van toepassing in het geval de aard van de dienst met zich meebrengt dat de werkzaamheden in het buitenland worden uitgevoerd. Aan de toepasselijkheid van de in maximumtarieven doet niet af dat regelgeving, beleid of berekeningswijze van de ‘Fair market value’ voor uurtarieven in andere landen anders is (A24.07).
Onkosten mogen volledig worden vergoed, mits deze redelijk zijn. Uit advies A24.09 (Overheadkosten) volgt dat het in rekening brengen resp. vergoeden van een vast bedrag of percentage aan overheadkosten (algemene kosten) niet is toegestaan, tenzij de opgevoerde kosten redelijk zijn, aantoonbaar zijn gemaakt en voorts wordt aangesloten bij de inhoud en strekking van de ‘Guidance voor vergoedingen en tijdbesteding voor de uitvoering van niet-WMO-plichtig onderzoek met geneesmiddelen geïnitieerd of gesponsord door farmaceutische bedrijven’. Afwijkingen van deze Guidance dienen gemotiveerd te worden.
Voor aantoonbaar gemaakte reiskosten die in het kader van dienstverlening worden gemaakt worden de volgende vergoedingen redelijk geacht:
Auto |
€ 0,37 per km |
Trein |
kosten eerste klasse (ongeacht of er een abonnement is) |
Taxi |
volledig, in aanvulling op openbaar vervoer |
Vliegtuig |
uitsluitend economy class |
Het vergoeden van eerste klas en businessclass wordt niet redelijk geacht. In zeer specifieke individuele omstandigheden kan er echter een gerechtvaardigde aanleiding zijn voor een uitzondering voor business class. Het enkele feit dat een vlucht langer dan 5 uur duurt rechtvaardigt niet dat er een uitzondering wordt gemaakt op deze hoofdregel. Zie A12.04, bevestigd in A22.03, A22.04 en A24.07.
Afhankelijk van de omstandigheden kan het redelijk zijn de reistijd tijdens de normale werkuren wegens inkomstenderving financieel te compenseren; buiten werkuren is daar geen sprake van. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat tijdens de reis de gevraagde dienstverlening nader kan worden voorbereid; een dubbele beloning voor reistijd en voorbereidingstijd is niet toegestaan.
Indien een zorgprofessional in het kader van de dienstverlening deelneemt aan een bijeenkomst, dient de locatie waar die bijeenkomst plaatsvindt passend te zijn, de gastvrijheid bescheiden te zijn en in de tijdsduur en doel ondergeschikt te zijn aan het primaire (hoofd)doel van de bijeenkomst. De in dit kader betaalde onkosten tellen niet mee in het kader van de maximumbedragen zoals genoemd in de artikelen 9 t/m 12.
Voor de goede orde: voor zorgprofessionals die niet in Nederland werkzaam zijn, gelden de in dit artikel genoemde voorwaarden en maximumbedragen niet, omdat de Gedragscode niet op hen van toepassing is. Zie ook de toelichting bij artikel 1.
Lid 6 heeft betrekking op de betaling van royalty’s en is een uitzondering op het derde lid. Royalty’s worden doorgaans overeengekomen als een percentage van de bruto- of netto-inkomsten die door het gebruik van een uitvinding of andere intellectuele prestatie zijn verkregen. Deze vorm van beloning voor een intellectuele inspanning is gangbaar en geaccepteerd, ook als daarbij een zorgprofessional betrokken is. Uiteraard is een royalty uitsluitend gerechtvaardigd indien een zorgprofessional daadwerkelijk als rechthebbende van het intellectueel eigendomsrecht moet worden beschouwd, dan wel indien de royalty op grond van wet- of regelgeving verplicht is.
Aan royalty’s worden in het zesde lid drie eisen gesteld: de vergoeding moet redelijk en marktconform zijn en mag niet wordt gekoppeld aan toekomstig gebruik, aanschaf e.d. van de medisch hulpmiddelen waarover de royalty’s worden berekend. Deze tweede eis houdt verband met de gewenste onafhankelijkheid en het voorkomen van ongewenste prikkels. In dat verband is bijv. denkbaar dat bij de berekening van de royalty’s de opbrengsten die zijn gegenereerd bij de zorginstelling waaraan de betreffende zorgprofessional is verbonden, niet meetellen. Zie A23.02.
De GMH sluit in dat verband aan bij Hoofdstuk 7 van de vigerende MedTech Europe Code of Ethical Business Practice.
De derde eis heeft betrekking op de vastlegging van afspraken in een schriftelijke overeenkomst.
Zie verder ook paragraaf 5 over transparantie. Hierin zijn meerdere bepalingen opgenomen die van toepassing (kunnen) zijn op dienstverlening. Denk daarbij onder meer aan:
- de verplichte voorafgaande toestemming van de raad van bestuur voor het aangaan van de dienstverleningsovereenkomst, die moet blijken uit medeondertekening door of namens de raad van bestuur (artikel 25);
- indien de dienstverlening betrekking heeft op het spreken tijdens een bijeenkomst: het voorafgaand aan de presentatie melden (disclosure) van deze financiële relatie (artikel 23 lid 2);
- indien de dienstverlening betrekking heeft op onderzoek: de verplichting om de betrokkenheid van de leverancier te vermelden in presentaties en publicaties (artikel 23 lid 4).
Voor wat betreft de verplichting tot openbaarmaking in het TRZ: zie artikel 27 en 28. Royalty’s hoeven niet te worden gemeld in het TRZ.