Inhoud van de code

Artikel 1 - Definities

  1. Medisch hulpmiddel
    De medische hulpmiddelen die op grond van de Wet op de Medische Hulpmiddelen[1] zijn aangewezen bij het Besluit Medische hulpmiddelen[2], het Besluit Actieve Implantaten[3] en het Besluit In vitro diagnostica[4].

  2. Zorgprofessional
    De natuurlijke persoon die, al dan niet in dienstverband of samenwerking met anderen, in het kader van zorg of ondersteuning zelf medische hulpmiddelen gebruikt en/of over de aanschaf of het gebruik daarvan beslist en/of betrokken is bij het proces rond het voorschrijven, selecteren, aanmeten van en/of adviseren over het gebruik van medische hulpmiddelen.

  3. Instelling
    Het organisatorische verband dat strekt tot verlening van zorg en/of ondersteuning en valt onder de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg[5]

  4. Leverancier
    De (rechts)persoon die een medisch hulpmiddel produceert, in de handel brengt, invoert, in voorraad heeft, wederverkoopt en/of aflevert, dan wel aan een hulpmiddel gerelateerde diensten verleent.

  5. Consument
    De natuurlijke persoon die voor eigen gebruik is aangewezen op een medisch hulpmiddel.

  6. Interactie
    Elke vorm van contact tussen een leverancier en een zorgprofessional waarbij de zorgprofessional een op geld te waarderen voordeel wordt aangeboden of in het vooruitzicht gesteld.

  7. Uitingen
    Elke vorm van schriftelijke, mondelinge of elektronische communicatie die betrekking heeft op een medisch hulpmiddel, ongeacht of deze promotioneel van aard is.

  8. Patiëntenorganisatie
    De organisatie van vragers en/of afnemers van diensten van de zorgsector, daaronder mede begrepen oud-patiënten, wettelijke vertegenwoordigers, relaties en nabestaanden.

[1] Wet van 15 januari 1970, Stb. 1970, 53, zoals sindsdien gewijzigd.
[2] Besluit van 30 maart 1995, Stb. 1995, 243, zoals sindsdien gewijzigd.
[3] Besluit van 5 juli 1993, Stb. 1993, 385, zoals sindsdien gewijzigd.
[4] Besluit van 22 juni 2001, Stb. 2001, 385, zoals sindsdien gewijzigd.
[5] Wet van 7 oktober 2015, Stb 2015, 407, zoals sindsdien gewijzigd.

 



TOELICHTING

De definities sluiten zoveel mogelijk aan bij de relevante wettelijke definities.

Bij de definitie van medisch hulpmiddel (artikel 1 sub a) is aangesloten bij de Wet op de Medische hulpmiddelen en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten. Hiermee valt het volledige aanbod aan medische hulpmiddelen en medische technologie onder de reikwijdte van de Gedragscode.

De definitie van zorgprofessional (artikel 1 sub b) is bewust ruim geformuleerd. Een zorgprofessional is iedere natuurlijke persoon die, in het kader van de zorg en ondersteuning die hij aanbiedt, betrokken is bij keuzes over gebruik, aanschaf, selectie en dergelijke van medische hulpmiddelen. Deze betrokkenheid van een zorgprofessional bij deze keuzes geeft een verantwoordelijkheid om daarbij zorgvuldig en integer te opereren.

De Code is uitsluitend van toepassing op interacties waarbij in Nederland werkzame zorgprofessionals betrokken zijn (zie ook de Toelichting bij art. 2). Het is echter niet relevant in welke setting de zorgprofessional werkzaam is: in dienst van een instelling of bedrijf, als onderdeel van een maatschap of ander samenwerkingsverband, dan wel zelfstandig. De toepasselijkheid van de Gedragscode kan niet worden ontweken door bijvoorbeeld bepaalde afspraken via een maatschap, een rechtspersoon of een zorginstelling te laten lopen. Evenmin kan de Gedragscode worden omzeild door inschakeling van derde partijen of tussenpersonen. Ook in die gevallen is de Gedragscode onverminderd van toepassingen en worden de handelingen van die derde toegerekend aan de partij voor wie deze optreedt. Zie ook de toelichting bij artikel 2.

Bij de definitie van instelling (artikel 1 sub c) is aangesloten bij de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, de wet die met ingang van 2016 de Kwaliteitswet zorginstellingen heeft vervangen. Dit betekent dat onder instellingen wordt verstaan alle instellingen die zorg verlenen als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg en hulp waarbij handelingen worden verricht als bedoeld in artikel 36 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, die niet vallen onder zorg als omschreven bij of krachtens de ZVW of WLZ.
Deze definitie is ruim; het betreft alle samenwerkingsverbanden door of vanwege wie zorg of ondersteuning wordt verleend. Vaak zullen dat rechtspersonen zijn (denk aan ziekenhuizen), maar het kunnen ook maatschappen, zorggroepen of andere samenwerkingsverbanden zijn. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg wordt een koppeling gemaakt naar de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg. Voor de toepasselijkheid van de Gedragscode is het niet relevant of de een specifiek hulpmiddel in een specifiek geval al dan niet wordt vergoed. Belangrijk is de setting waarbinnen de interactie plaatsvindt. Als die niets van doen heeft met zorg zoals gedefinieerd in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, zijn de regels niet van toepassing. In alle andere gevallen wel. Zie ook de toelichting bij artikel 2.

Het is de bedoeling om instellingen ook bij deze Gedragscode te betrekken en een rol te geven bij de controle op de naleving; daartoe dient niet alleen artikel 20 maar ook de bepalingen die eisen dat de betreffende zorgprofessional het bestuur of de leidinggevenden binnen de instelling waar een zorgprofessional werkzaam is, op de hoogte brengt van bepaalde interacties en in sommige gevallen ook aantoonbaar toestemming vraagt.

Ook de definitie van leverancier (artikel 1 sub d) is ruim geformuleerd en bedoeld. Niet alleen degenen die medische hulpmiddelen produceren (fabrikanten), maar ook degenen die deze verkopen, in voorraad hebben, afleveren of in verband met medische hulpmiddelen diensten verlenen(zoals service of onderhoud), vallen onder deze definitie en zijn aan de Gedragscode gebonden.  De Code is niet alleen van toepassing op leveranciers die in Nederland zijn gevestigd, maar op iedere leverancier die interacties heeft met in Nederland werkzame zorgprofessionals. Zie ook de Toelichting bij artikel 2.
Aandacht moet worden besteed aan de situatie dat een zorgprofessional ook als leverancier optreedt. Te denken is aan de apotheker die zowel zijn rol als zorgverlener heeft, maar ook medische hulpmiddelen verkoopt of de klinisch chemicus die zelf een bepaalde test maakt en verkoopt. De Gedragscode is dan onverkort op hem of haar van toepassing; welke regels dat zijn, is afhankelijk van de ‘pet’ die in een concreet geval wordt gedragen.

In deze Gedragscode wordt gesproken over interactie. Dit is een term die ruim is omschreven om aan te geven dat de Gedragscode een breed toepassingsbereik heeft. Er is bewust niet gekozen voor het gebruik van de term ‘gunstbetoon’, omdat deze term binnen de regels voor geneesmiddelenreclame een specifieke betekenis heeft en dus in het kader van deze Gedragscode minder passend is.

Daar waar in deze Gedragscode wordt gesproken over vergoeding van kosten, wordt daaronder mede verstaan het voor rekening nemen of sponsoren van kosten.