A16.03 Business card services; vervolgvraag n.a.v. A14.07

Achtergrondinformatie

In 2014 heeft de Codecommissie van de stichting Gedragscode Medische Hulpmiddelen (hierna: de Codecommissie) een advies uitgebracht over de vraag of een small business service card programma, aangeboden door X, onder de GMH valt (A.14.07).

Dit small business service card programma komt er neer dat de daaraan deelnemende zorgprofessional een soort creditcard (hierna: de Card) verkrijgt, waarmee de betaling aan de leverancier kan worden verricht. De afhandeling van het betreffende betalingsverkeer is uitbesteed aan X. X biedt de zorgprofessional die de Card gebruikt tevens een beloningsprogramma (membership rewards, hierna: Beloningsprogramma) aan. Deze rewards kunnen worden ‘verdiend’ door frequent gebruik en worden ingeruild voor diverse producten, goederen, bijdragen aan goede doelen of voor creditering op het uitstaande bedrag op de Card’.

In A14.07 heeft de Codecommissie – kort samengevat – geoordeeld dat X niet kan worden aangemerkt als ‘leverancier’ in de zin van art. 1 onder d GMH. Dat betekent dat er ook geen sprake is van een ‘interactie’ in de zin van art. 1 onder f GMH tussen X en een zorgprofessional, die van de Card gebruik maakt.

De Codecommissie heeft daar echter wel aan toegevoegd dat de GMH – indirect – van invloed kan zijn op de toelaatbaarheid van het gebruik van de Card. Het is aan partijen die gebonden zijn aan de GMH en de Card gebruiken bij de financiële afwikkeling van interacties om te beoordelen of al dan niet in strijd met de GMH wordt gehandeld en – in dat kader – of het Beloningsprogramma in een individueel geval een prikkel is om voor een bepaalde leverancier (en dus een bepaald medisch hulpmiddel) te kiezen.

Onderhavige adviesaanvraag betreft in feite een vervolgvraag op het eerdere advies A14.07. Een koepelorganisatie van leveranciers van medische hulpmiddelen heeft in adviesaanvraag A16.03 de vraag aan de Codecommissie voorgelegd of een leverancier van medische hulpmiddelen vanuit het perspectief van de GMH een overeenkomst tot levering van medische hulpmiddelen mag aangaan met een zorgprofessional, waarbij wordt afgesproken dat betaling plaats kan vinden met gebruikmaking van de Card, in de wetenschap dat de betaling via die Card met zich meebrengt dat de zorgprofessional punten spaart die kunnen worden ingewisseld voor niet branche-gerelateerde producten.

Gelet op de strekking van adviesaanvraag A16.03 en het feit dat – behoudens de in de vorige alinea beschreven concretisering – geen nieuwe feiten zijn gepresenteerd, beoordeelt de Codecommissie deze nieuwe vraagstelling in het licht van de feiten, zoals omschreven in A14.07. Er is derhalve geen rekening gehouden met eventuele wijzigingen in de voorwaarden voor het gebruik van de Card en/of in de opzet en uitvoering van het Bonusprogramma.

Beoordeling van de adviesaanvraag

De voorzitter van de Codecommissie stelt vast dat de leden van de koepelorganisatie leveranciers zijn in de zin van art. 1 onder d GMH. De voorzitter van de Codecommissie stelt verder vast dat de leden van de koepelorganisatie tegen betaling medische hulpmiddelen leveren aan zorgprofessionals in de zin van art. 1 onder b GMH en dat deze zorgprofessionals de Card (kunnen) gebruiken en dus de voordelen daarvan ondervinden.

De vraag is door wie deze voordelen worden aangeboden indien de financiële afhandeling van een transactie door het gebruik van de Card plaatsvindt: door X of door de leverancier. In het eerste geval is er geen sprake van een interactie in de zin van art. 1 onder f GMH, maar van een vorm van financiële dienstverlening met bepaalde voordelen voor gebruikers. In dat geval dient het daaraan gekoppelde Beloningsprogramma primair ter stimulering om van die financiële dienstverlening door X gebruik te maken (ter onderscheiding van vergelijkbare financiële dienstverlening door met X concurrerende bedrijven).

In het geval de leverancier de voordelen aanbiedt is wel sprake zijn van een interactie in de zin van art. 1 onder f GMH.

De voorzitter overweegt het volgende

De overeenkomsten met betrekking tot de levering van medische hulpmiddelen door de leveranciers aan zorgprofessionals en de betaling daarvoor door of namens die zorgprofessionals aan de leveranciers zijn te beschouwen als een handelstransactie zoals bedoeld in art. 6 GMH.

Indien de financiële handelstransactie plaats vindt door het gebruik van de Card is er geen rechtstreekse betaling tussen de inkopende partij, de zorgprofessional, en de verkopende partij, de leverancier. Dit betekent dat het door de zorgprofessional verschuldigde bedrag in eerste instantie door een derde partij (X) aan de leverancier wordt voldaan, waarna deze derde partij dit bedrag zal incasseren bij de zorgprofessional.

De voorzitter van de Codecommissie stelt vast dat de GMH geen specifieke bepalingen bevat over de inschakeling van een derde partij bij de betaling van handelstransacties. Naar de bedoeling van de GMH geldt echter als uitgangspunt dat de GMH niet kan worden omzeild door de betaling van een handelstransactie tussen een zorgprofessional en een leverancier via een derde partij te leiden.

De voorzitter van de Codecommissie gaat ervan uit dat in het onderhavige geval de hoogte van het bedrag dat de zorgprofessional in het kader van de handelstransactie aan de leverancier is verschuldigd, schriftelijk is vastgelegd. De Codecommissie wijst er tevens op dat voor zover de leverancier en zorgprofessional in het kader van de handelstransactie bonussen en kortingen zijn overeengekomen deze schriftelijk moeten zijn vastgelegd (art. 6 lid 2 sub b) en moeten bestaan uit een korting in geld of in natura en in dat het in laatste geval om branche-gerelateerde producten moet gaan. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan en de derde partij die bij de handelstransactie wordt ingeschakeld (X) zorg draagt voor de uitvoering van de betaling is dat op zich geoorloofd.

Uit A14.07 is echter bekend dat X aan de ontvanger van de betaling voorwaarden stelt en voor de betalende partij prikkels voor het gebruik van de Card biedt. De leverancier die betaling met de Card accepteert zal een bepaald percentage van de transactie aan X moeten afdragen. Dit kan worden gezien als een vergoeding voor het feit dat X het risico op onbetaalde of te laat betaalde facturen van de leverancier overneemt. De Codecommissie ziet niet dat dit op enigerlei wijze in strijd is met de inhoud of strekking van de GMH.

Uit A14.07 volgt eveneens dat X in de richting van zorgprofessionals die betalen met de Card een Beloningsprogramma hanteert. Dit Beloningsprogramma heeft geen rechtstreeks effect op de betaling die X in het kader van de handelstransactie namens de zorgprofessional in de richting van de leverancier verricht. De leverancier ontvangt het door de zorgprofessional verschuldigde bedrag minus het aan X verschuldigde percentage wegens het overnemen van het betalingsrisico.

Het Beloningsprogramma voor de zorgprofessional die de Card gebruikt kan echter wel een indirect effect op handelstransacties hebben. De punten die de zorgprofessional met het Beloningsprogramma spaart zijn gekoppeld aan de hoogte van de betalingen die met de Card worden voldaan. Hoe hoger het bedrag, des te meer punten X toekent. Deze punten kunnen op verschillende wijze door de zorgprofessional worden ‘verzilverd’, te weten door:

  1. deze in te ruilen voor bepaalde producten naar keuze;
  2. deze te laten uitkeren in de vorm van de uitkering aan een goed doel, of
  3. creditering op het uitstaande bedrag op de

De voorzitter stelt vast dat dit Beloningsprogramma strikt genomen buiten de relatie tussen de leverancier en de zorgprofessional staat. Het is X die, als bij de handelstransactie betrokken ‘derde’ partij, deze ‘extra’s aan de zorgprofessional aanbiedt. Het – ook door X beoogde – effect ervan is dat de zorgprofessional door de aangeboden beloning wordt gestimuleerd zoveel mogelijk betalingen met de Card te voldoen.

Op grond van het voorgaande bestaat daartegen vanuit het perspectief van de GMH in beginsel geen bezwaar zolang daarmee geen ongelijkheid tussen de verschillende leveranciers ontstaat. Dit betekent dat voor de beoogde betalingswijze in ieder geval aan de volgende voorwaarde moet zijn voldaan:

  • er is geen andere band tussen de leverancier en X dan de hiervoor genoemde, en
  • iedere leverancier kan onder dezelfde voorwaarden van betaling via de Card van X gebruik maken , en
  • X hanteert voor iedere zorgprofessional hetzelfde

Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan ontstaat er voor leveranciers geen daadwerkelijk ‘voordeel’ omdat geen enkele leverancier – indirect – de voordelen die dit programma biedt exclusief kan aanbieden. Als er wel exclusiviteit is, dan ontstaat mogelijk een prikkel voor de zorgprofessional om bij de leverancier te bestellen waarbij hij met deze Card kan betalen en dus kan profiteren van het Beloningsprogramma van X.

De voorzitter herhaalt hetgeen hij in A14.07 heeft opgemerkt: het gebruik van de Card bij de afhandeling van transacties tussen leverancier en zorgprofessional mag niet zo aantrekkelijk zijn dat dit ertoe leidt dat keuzes voor bepaalde producten worden gemaakt vanwege het feit dat de leverancier van een product aangesloten is bij X en niet vanwege de kwaliteit en geschiktheid van het product. Dit zou in het kader van de doelstellingen van de GMH onwenselijk zijn, omdat de GMH beoogt te waarborgen dat beslissingen met betrekking tot hulpmiddelen op zorginhoudelijke, integere gronden worden genomen en niet worden ingegeven door financiële prikkels. Als het gebruik van de Card en de daaraan gekoppelde voordelen voor alle zorgprofessionals en alle leveranciers onder dezelfde voorwaarden mogelijk is, is het risico op financieel gedreven beslissingen ten voordele van bepaalde leveranciers niet aanwezig.

Tot slot een korte opmerking over het feit dat de zorgprofessional in het kader van het beloningsprogramma punten kan inleveren voor producten, die in de privésfeer kunnen worden gebruikt. Zolang aan alle overige voorwaarden zoals hierboven uiteengezet wordt voldaan, levert het feit dat zorgprofessionals punten kunnen inwisselen voor producten, die in de privésfeer kunnen worden gebruikt in beginsel geen overtreding van de GMH Code op, gegeven het feit dat dit voordeel door X wordt geboden en niet door een leverancier. Het beloningsprogramma is er dan immers op gericht om de diensten van X te onderscheiden van diensten van andere financiële dienstverleners en zal als zodanig een rationale keuze van een zorgprofessional voor een bepaald medisch hulpmiddel, op grond van louter medische inhoudelijke gronden, niet in de weg staan of in gevaar brengen. Dit zou anders kunnen zijn indien in het beloningsprogramma prikkels worden ingebouwd om sturing richting bepaalde producten toe te passen, bijvoorbeeld door voor de betaling van bepaalde zorgproducten meer punten toe te kennen dan voor de betaling van andere zorgproducten.

Zoals uit dit advies blijkt zijn de opzet en uitvoering van het een concreet programma als het onderhavige van groot belang voor de beoordeling van de toelaatbaarheid onder de GMH Code.

 

Den Haag, 1 maart 2017

Mr P.N. van Regteren Altena, voorzitter Codecommissie GMH

Nummer:

A16.03

Onderwerp(en):

Divers

Type:

Advies

Instantie:

Codecommissie

Datum advies:

01-03-2017

Relevante artikelen:

Het officiële document:

Print deze uitspraak