A15.03 Bijeenkomst productintroductie Wenen

Aan de Codecommissie van de stichting Gedragscode Medische Hulpmiddelen (hierna: de Codecommissie) is op grond van artikel 37 van het Reglement van de Codecommissie en Commissie van Beroep de vraag voorgelegd of een leverancier van medische hulpmiddelen een beperkt aantal Nederlandse zorgprofessionals mag uitnodigen voor deelname aan een bijeenkomst in Wenen (Oostenrijk), waar een nieuw product zal worden geïntroduceerd.

Achtergrondinformatie

De Adviesaanvrager een internationaal opererende leverancier van onder andere medische hulpmiddelen. Voor de Europese introductie van een nieuw instrument wil de afdeling marketing van de Adviesaanvrager een internationale introductiebijeenkomst organiseren in Wenen. Het is de bedoeling dat voor deze bijeenkomst ongeveer 150 zorgprofessionals uit Europese landen worden uitgenodigd, waaronder ook vier Nederlandse zorgprofessionals. Deze bijeenkomst is specifiek gericht op zorgprofessionals om het nieuwe instrument te introduceren in de context van een mogelijke aanschafbeslissing van dit instrument. Blijkens het voorlopige programma komen de zorgprofessionals op 15 maart in Wenen aan, de dag voor de bijeenkomst. Die avond is er ontvangst met receptie en kennelijk ook een diner. Op 16 maart is er de gehele dag een programma; in de avond is er wederom een diner. Op 17 maart vertrekken de zorgprofessionals weer.

Toepasselijkheid van Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH)

Over de toepasselijkheid van de GMH stelt de voorzitter van de Codecommissie het volgende vast. De Adviesaanvrager is leverancier van medische hulpmiddelen en lid van een bij GMH aangesloten brancheorganisatie. De Adviesaanvrager wordt in het kader van deze adviesaanvraag derhalve beschouwd als leverancier in de zin van art. 1 onder d. GMH.

De Adviesaanvrager is voornemens vier Nederlandse zorgprofessionals uit te nodigen voor deelname aan de bijeenkomst in Wenen. Hoewel de professionele achtergrond van deze vier zorgprofessionals niet met naam en toenaam wordt genoemd maakt de voorzitter uit de adviesaanvraag op dat zij vanuit hun professie betrokken zijn bij het gebruik, (besluitvorming over) de aanschaf en/of het proces rond het voorschrijven, selecteren, aanmeten van en/of adviseren over het gebruik van medische hulpmiddelen. Zij dienen derhalve te worden beschouwd als zorgprofessionals in de zin van art. 1 onder b.

Uit de adviesaanvraag maakt de voorzitter verder op dat de Adviesaanvrager voornemens is (een deel van) de kosten voor deelname van de Nederlandse zorgprofessionals voor haar rekening te nemen. Er is derhalve sprake van een interactie in de zin van art. 1 onder f.

Beoordeling van de adviesaanvraag

Allereerst is de kwalificatie van de interactie aan de orde. De voorzitter stelt vast dat uit de adviesaanvraag blijkt dat sprake is van een door een leverancier georganiseerde bijeenkomst. Dit betekent dat voor het toetsingskader in aanmerking kunnen komen art. 10 (een door een leverancier georganiseerde product gerelateerde bijeenkomst), art. 11 (een door leverancier georganiseerde geaccrediteerde bijeenkomst) en art. 12 (een door de leverancier georganiseerde overige bijeenkomst).

Onder door leveranciers georganiseerde product gerelateerde bijeenkomsten in de zin van art. 10 worden verstaan bijeenkomsten die bestemd zijn voor zorgprofessionals en die noodzakelijk zijn in het kader van een mogelijke beslissing tot aanschaf en/of goed gebruik en onderhoud van medische hulpmiddelen. Een dergelijke bijeenkomst moet voldoen aan de eisen die in dat artikel zijn opgenomen en die relatie houden met programma, locatie en kosten. Aan de eisen van dit artikel wordt echter niet voldaan, reeds omdat uit art. 10 en de toelichting daarbij volgt dat de legitimatie van een locatie gelegen moet zijn in het feit dat het noodzakelijk is om op die locatie te bijeen te komen, omdat die daarvoor specifiek is ingericht. Van een dergelijke noodzaak lijkt hier geen sprake. Weliswaar is de aanleiding van de bijeenkomst een productintroductie, maar nergens blijkt uit dat het betreffende product daar ook aanwezig is en dat het om een product gaat dat alleen op die locatie bekeken zou kunnen worden. Het programma heeft bovendien de opzet van een congres, dat in een hotel plaatsvindt. Van een relatie tussen het betreffende product en de keuze voor de locatie van het congres in de zin van art. 10 is niet gebleken. Art. 10 kan dus reeds daarom geen basis bieden voor vergoeding van de reis- en verblijfkosten.

Uit de adviesaanvraag is niet gebleken dat de bijeenkomst is geaccrediteerd dan wel accreditatie is aangevraagd. Ook art. 11 biedt daarom geen basis voor vergoeding van de reis en verblijf en overige kosten ten behoeve van de deelnemers.

Dit betekent dat de bijeenkomst en een bijdrage aan de kosten voor deelname hieraan uitsluitend mogelijk zou kunnen zijn indien aan de voorwaarden van art. 12 wordt voldaan. Art. 12 lid 2 stelt voorwaarden aan het programma, de locatie en de kosten.

Het programma moet geschikt zijn voor demonstraties van de specifieke hulpmiddelen en/of het overdragen van kennis en/of vaardigheden met betrekking tot het gebruik, toepassing of onderhoud van specifieke hulpmiddelen, en qua opbouw en tijdsindeling evenwichtig en redelijk is, en uitsluitend gericht op het doel van de bijeenkomst. Het inhoudelijke programma op 16 maart voldoet aan deze voorwaarden. Dat er de dag voorafgaand aan het inhoudelijke programma en op die dag zelf een diner plaatsvindt, acht de voorzitter begrijpelijk en aanvaardbaar. De voorzitter gaat er verder vanuit dat de heen- en terugvluchten van de deelnemers zo veel mogelijk in aansluiting op het inhoudelijke programma zullen plaatsvinden.

De locatie: de locatie waar de bijeenkomst plaats vindt moet gerechtvaardigd zijn in het licht van de aard van de product gerelateerde bijeenkomst, zowel wat faciliteiten als wat geografische ligging betreft. Qua faciliteiten betekent dit dat de bijeenkomst plaatsvindt in een gepaste omgeving die bevorderlijk is voor de uitwisseling van informatie. Qua ligging betekent dit dat de locatie logisch verband houdt met de aanwezigheid van de specifieke hulpmiddelen en/of de benodigde trainings-

of opleidingsfaciliteiten. De bijeenkomst vindt echter plaats in Wenen, in het Meridian Hotel en de Hofburg. Geografisch acht de voorzitter het verdedigbaar dat de bijeenkomst in Wenen plaatsvindt. Er komen 150 zorgprofessionals uit heel Europa en tegen die achtergrond is Wenen als redelijk centraal gelegen stad met een internationale luchthaven goed bereikbaar. De faciliteiten kunnen echter niet worden gezien als een “klinische zakelijke” omgeving. Het Meridian Hotel afficheert zich blijkens de door de voorzitter geraadpleegde website als een luxe design hotel en de Hofburg is bij uitstek een locatie met een hoge recreatieve uitstraling. Beiden houden geen logisch verband met de aanwezigheid van specifieke hulpmiddelen.

Ook art. 12 biedt daarmee geen ruimte om de vier zorgprofessionals in de gelegenheid te stellen om de bijeenkomst bij te wonen en de daarvoor te maken kosten geheel of gedeeltelijk voor rekening van de leverancier te houden. Nu aldus niet aan de eisen van art. 12 wordt voldaan kan een verdere bespreking van de hoogte van de kosten en beoogde vergoeding op zich achterwege blijven.

Ten overvloede wijst de voorzitter er desondanks op dat – in het geval ook de locatie wel zou voldoen aan de voorwaarden van de GMH – de maximale bijdrage voor één of meerdere redelijk geprijsde maaltijden, noodzakelijke overnachtingen en redelijke reiskosten op grond van art. 12 niet meer mag bedragen dan € 75 per bijeenkomst per zorgprofessional.

Conclusie

De voorgelegde bijeenkomst kan niet worden beschouwd als product gerelateerde bijeenkomst in de zin van art. 10. Evenmin is sprake van een geaccrediteerde bijeenkomst in de zin van art. 11. Bij toetsing aan art. 12 is de voorzitter van oordeel dat het programma op het product gericht is en de geografische keuze voor Wenen gerechtvaardigd is, maar dat geen sprake is van een gerechtvaardigde locatie wat de faciliteiten betreft. Het advies moet daarom negatief zijn.

 

Den Haag, 1 februari 2016

Mr P.N. van Regteren Altena, voorzitter Codecommissie GMH

Advies 15.03A

Hoewel het Reglement niet voorziet dat na het uitbrengen van het advies aanvullende informatie wordt ingediend met het verzoek om herziening van het advies, heeft de voorzitter in dit concrete geval eenmalig bezien of de door de Adviesaanvrager na het uitbrengen van A15.03 toegezonden aanvullende informatie aanleiding geeft om het advies aan te passen.

De aanvullende informatie die de Adviesaanvrager heeft nagestuurd heeft betrekking op de achtergrond en het doel van de bijeenkomst – met het oog op de kwalificatie van de bijeenkomst – en op de keuze van de locaties.

Ten aanzien van het eerste punt stelt de Adviesaanvrager dat de bijeenkomst gezien moet worden als een productgerelateerde bijeenkomst. Daartoe wordt aangevoerd dat het betreffende product aanwezig zal zijn en daartoe apart naar de betreffende locatie wordt overgebracht. De voorzitter merkt op dat noch uit de opzet en inhoud van het programma zoals deze eerder aan de voorzitter ter beschikking is gesteld noch uit de thans gegeven nadere toelichting blijkt dat de bijeenkomst noodzakelijk is in het kader van een mogelijke beslissing tot aanschaf en/of goed gebruik en onderhoud van medische hulpmiddelen. Het programma is immers veel breder en algemener van aard en opzet en niet uitsluitend of voornamelijk gericht op het product zelf. Zo zijn demonstraties van en/of oefening met het product geen onderdeel van het programma. De bijeenkomst heeft daarom niet het karakter van een productgerelateerde bijeenkomst zoals bedoeld in art. 10.

Art. 11 kan niet aan de orde zijn – omdat de bijeenkomst niet is geaccrediteerd – zodat getoetst moet worden aan artikel 12.

De aanvullende informatie over de locatie waar de deelnemers overnachten en die waar de bijeenkomst plaats vindt, geven de voorzitter geen aanleiding om deze locaties alsnog in overeenstemming met artikel 12 te beoordelen. De aanvrager heeft aangegeven dat het hotel geen vijf sterren heeft en dat het Hofburg ook door andere organisatoren van congressen wordt gebruikt. Dit is niet doorslaggevend nu het bij de toetsing aan de GMH gaat om de vraag of locatie(s), onder meer wat uitstraling betreft, gepast en redelijk zijn. Uit de informatie die de voorzitter heeft ontvangen, en op internet heeft kunnen vinden, over de aard en uitstraling van het hotel en het Hofburg, blijkt dat dit geen gepaste faciliteiten zijn zoals de opstellers van de code voor ogen hebben gehad. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat er geen andere, meer zakelijke, overnachtingsmogelijkheden en congres faciliteiten beschikbaar waren.

Het feit dat in België kennelijk anders wordt gedacht over de toelaatbaarheid van locaties, doet daaraan niet af. Hoewel de voorzitter begrip heeft voor het argument dat internationaal vergelijkbare en vergelijkbaar te toetsen normen op zich nastrevingswaard zijn dient de voorzitter te toetsen aan de regels van de GMH omdat het gaat om Nederlandse zorgprofessionals op wie de GMH van toepassing is. Het enkele feit dat in een ander land anders wordt geoordeeld is geen reden om daarvan af te wijken, zelfs niet indien dat een ander EU land is of – zelfs – een buurland.

De voorzitter merkt ten overvloede op dat artikel 10 meer ruimte geeft om door de zorgaanbieder te betalen kosten te accorderen, maar daar staat wel tegenover dat daarvoor aan strikte voorwaarden moet worden voldaan. Het hier toepasselijk artikel 12 stelt minder zware eisen aan locatie en programma, maar limiteert de kosten dan wel tot € 75 per zorgprofessional.

Eveneens ten overvloede merkt de voorzitter op dat ook in geval de bijeenkomst getoetst zou worden aan artikel 10 de bijeenkomst de toets niet zou doorstaan. Juist bij een productgerelateerde bijeenkomst geldt wat betreft de faciliteiten de eis dat de bijeenkomst plaatsvindt in een klinische omgeving, laboratorium/practicum, educatieve instelling, of in een andere gepaste omgeving, zoals gehuurde zakelijk vergaderfaciliteiten of eigen (bedrijfs)gebouwen of –ruimtes. Dat daarvan geen sprake is staat niet ter discussie.

De voorzitter kan daarom niet anders dan het eerder gegeven negatieve advies bevestigen.

 

Den Haag, 16 februari 2016

Mr P.N. van Regteren Altena, voorzitter Codecommissie GMH

Nummer:

A15.03

Onderwerp(en):

Individuele gastvrijheid bijeenkomsten

Type:

Advies

Instantie:

Codecommissie

Datum advies:

01-02-2016

Relevante artikelen:

Art. 12, art. 10

Het officiële document:

Print deze uitspraak