A14.07 Businesscard services

Aan de Codecommissie van de stichting Gedragscode Medische Hulpmiddelen (hierna: de Codecommissie) is op grond van artikel 37 van het Reglement van de Codecommissie en Commissie van Beroep de vraag voorgelegd of een Z-kaartprogramma, aangeboden door [X en Y], onder de GMH valt.

Achtergrondinformatie

Bedrijven X en Y zijn actief op het gebied van financiële dienstverlening en beschikken over een vergunning om betalingsdiensten aan te bieden. Een van die diensten is het Z-kaart-programma. Dit is een uitgestelde-betalingskaart (een soort creditcard) van X en Y, die specifiek gericht is op het Nederlandse MKB. De Z-kaart heeft als voordelen: uitgestelde betaling en uitbesteding van de afhandeling van het betrokken betalingsverkeer. X en Y zijn aan elkaar gelieerd.

X geeft de Z-kaart uit, en Y sluit overeenkomsten met bedrijven die de kaart als betaalmiddel accepteren (hierna: accepterende bedrijven). Een bedrijf kan een Z-kaart aanvragen en wordt daarmee kaarthouder. Het kan met de Z-kaart vervolgens betalen bij accepterende bedrijven. Dit gaat volgens een in de adviesaanvraag beschreven model, dat normaal is voor kaarten met uitgestelde betaling. Er is geen exclusiviteit; kaarthouder en accepterende bedrijven zijn vrij om met andere aanbieders vergelijkbare overeenkomsten aan te gaan.

X biedt de kaarthouder een beloningsprogramma (hierna: Beloningsprogramma), in het kader waarvan punten kunnen worden verkregen. Deze punten kunnen worden ingeruild voor diverse producten, goederen en bijdragen aan goede doelen, of voor creditering op het uitstaande bedrag op Z-kaart. De kaarthouder betaalt X lidmaatschapsgeld; een accepterend bedrijf betaalt een servicevergoeding aan Y (een vaste jaarbijdrage en een servicevergoedingspercentage per transactie).

X biedt de Z-kaart in de dentale sector aan als de Q-kaart. Van deze kaart maakt ongeveer 20% van de tandartsen in Nederland gebruik. Daarnaast wordt de kaart gebruikt door andere zorgprofessionals in deze sector, zoals orthodontisten en mondhygiënisten. Volgens opgave van X accepteert meer dan 50% van de leveranciers in de dentale sector de Q-kaart.

Naar aanleiding van het advies A14.03 van de Voorzitter van de GMH heeft de Nederlandse Vereniging van Groothandelaren in de Tandheelkundige branche (hierna: VGT) haar leden verboden betalingen met de Z-kaartte aanvaarden. In overleg met de VGT hebben X en Y aan de GMH verzocht om advies over de vraag of de GMH van toepassing is op haar en op haar activiteiten (Z-kaart en het Beloningsprogramma).

Beoordeling van de adviesaanvraag

  1. Over de toepasselijkheid van de GMH stelt de voorzitter van de Codecommissie het volgende vast. De GMH geeft normen voor verantwoorde interacties tussen leveranciers en zorgprofessionals. Een ‘interactie’ is in art. 1 onder f GMH gedefinieerd als: elke vorm van contact tussen een leverancier en een zorgprofessional waarbij de zorgprofessional een op geld te waarderen voordeel wordt aangeboden of in het vooruitzicht gesteld.
  1. Blijkens de overgelegde informatie is X een internationale aanbieder van financiële diensten, die beschikt over de nodige vergunningen om betalingsdiensten aan te De Z-kaart, waar het in deze adviesaanvraag om gaat, is een product dat breed in het bedrijfsleven (MKB) wordt aangeboden, en niet uitsluitend of voornamelijk in de zorg of dentale wereld.
  2. De Q-kaart wordt door X aangeboden aan zorgprofessionals in de zin van 1 onder b GMH. X kan echter niet worden gekwalificeerd als leverancier in de zin van art. 1 onder d GMH. Dat betekent dat er geen sprake is van een interactie in de zin van art. 1 onder f GMH tussen X en een zorgprofessional. In wezen biedt X een vorm van financiële dienstverlening aan, die faciliterend is in het verkeer tussen zorgprofessionals enerzijds en leveranciers anderzijds. Het daaraan gekoppelde Beloningsprogramma dient primair ter stimulering om van die financiële dienstverlening door X gebruik te maken (ter onderscheiding van vergelijkbare financiële dienstverlening door met X concurrerende bedrijven).
  3. Het feit dat de relatie die X enerzijds aangaat met zorgprofessionals in de zin van de GMH en anderzijds met leveranciers in de zin van de GMH niet kan worden gekwalificeerd als een interactie in de zin van art. 1 GMH, betekent echter niet dat de GMH daarmee geheel buiten beschouwing kan blijven. Feit is immers dat partijen die wél als leveranciers en zorgprofessionals kunnen worden gekwalificeerd – en dus aan de GMH dienen te voldoen – de Z-kaart (onder meer) gebruiken bij de financiële afwikkeling van interacties in de zin van art. 1 onder f Het is aan deze partijen om ervoor te zorgen dat die interacties aan de GMH voldoen. Denkbaar is dat de aantrekkelijkheid van het gebruik van de kaart en met name het Beloningsprogramma ertoe leidt dat keuzes voor bepaalde producten worden gemaakt vanwege het feit dat de leverancier van een product aangesloten is bij X en niet vanwege de kwaliteit en geschiktheid van het product. Dit zou in het kader van de doelstellingen van de GMH onwenselijk zijn, indien en voor zover dit zou leiden tot beslissingen met betrekking tot een bepaald hulpmiddel die niet op zorginhoudelijke, integere gronden worden genomen maar worden ingegeven door financiële prikkels. In dit kader speelt een rol dat het Beloningsprogramma de zorgprofessional de mogelijkheid biedt om aantrekkelijke voordelen (al dan niet te gebruiken in de privé sfeer) te ‘sparen’. Daarbij neemt de Voorzitter in overweging dat uit de overgelegde documentatie blijkt dat een accepterend bedrijf een vaste jaarbijdrage en servicevergoedingspercentage per transactie betaalt. Aannemelijk is dat hiermee het Beloningsprogramma (deels) wordt bekostigd, waarvan de zorgprofessional de voordelen ondervindt. In die zin maken de leveranciers als accepterende bedrijven deze voordelen deels mogelijk.

Conclusie

De relatie tussen X en de zorgprofessionals kan niet worden gekwalificeerd als een interactie in de zin van de GMH. De GMH kan echter – indirect – van invloed zijn op de toelaatbaarheid van het gebruik van de Z-kaart. Het is aan partijen die gebonden zijn aan de GMH en de Z-kaart gebruiken bij de financiële afwikkeling van interacties om te beoordelen of al dan niet in strijd met de GMH wordt gehandeld en of het Beloningsprogramma in een individueel geval een prikkel is om een bepaalde leverancier (en dus een bepaald medisch hulpmiddel) te kiezen.

 

Den Haag, 21 januari 2015

Prof mr C.J.J.C van Nispen, voorzitter Codecommissie GMH

Nummer:

A14.07

Onderwerp(en):

Divers

Type:

Advies

Instantie:

Codecommissie

Datum advies:

21-01-2015

Relevante artikelen:

Art. 1

Het officiële document:

Print deze uitspraak